Blog pagina

Professionals kunnen via het Kennisplatform Sociaal Domein NH hun dagelijkse ervaringen ervaringen hier delen met de buitenwereld.

  • Het belang van 'tussenruimte'

    Esther Sarphatie is ‘gemeente-antropoloog’ en werkt bij en voor een gemeente. Zij past antropologische concepten toe op de praktijk van de gemeente. In deze blog schrijft zij over het belang van ‘tussenruimte’ als noodzakelijke voorwaarde voor transformatie in het sociaal domein.

    Transitie en transformatie, twee onlosmakelijk met elkaar verbonden termen, als yin en yang. De ene is hard de ander is zacht. Waar het ene instrumenteel is houdt het andere proces zich bezig met inhoud en emoties. Als feiten versus fictie, object versus subject, formeel versus informeel. Nu de drie belangrijkste wetten van het sociaal domein formeel zijn overgedragen van Rijk naar gemeenten. Contracten, aanbestedingen, indicatieprocedures en verordeningen zijn geregeld, alle wijkteams geïnstalleerd en iedereen heeft zijn methodieken op orde en gereed op de plank liggen. Dan is het nu tijd voor de transformatie, de inhoud, de toepassing, de andere werkwijze en houding en de daadwerkelijke veranderingen in het alledaagse leven. Hoe kan het toch dat we juist dit belangrijke deel collectief voor ons uitschuiven?

    Transitie in het sociaal domein
    Het transitieproces is de instrumentele overdracht van de verantwoordelijkheden van het Rijk naar de gemeenten. Dit impliceert een verandering van het huidige stelsel: de nieuwe regels, wetten, financiële procedures maken het mogelijk om tot een nieuw stelsel te komen. Het transitieproces kent een duidelijke start- en einddatum, is gefaseerd in een aantal stadia en heeft een tastbaar einddoel. De verantwoordelijkheid voor het transitieproces ligt grotendeels bij de Rijksoverheid.

    Transformatie in het sociaal domein
    Het transformatieproces daarentegen is gericht op het realiseren van de beoogde inhoudelijke effecten van de stelselwijziging namelijk snellere, betere, effectievere en integrale dienstverlening. Deze verandering gaat gepaard met emoties en een andere manier van denken en handelen. Er is een andere werkwijze en houding van professionals en inwoners gewenst. De verantwoordelijkheid voor de transformatie ligt voornamelijk bij de gemeente, instellingen en uitvoerende professionals.

     

    Geen tijd

    "Tja, verandering kost tijd”, is het meest gehoorde antwoord. En ja, zeker, verandering kost tijd. Maar dat is niet het hele verhaal. Inhoudelijke verandering 'kost' meer dan dat. Het vraagt ook om het creëren van een andere realiteit, een nieuwe betekenisvolle werkelijkheid, een andere leefwereld. Anders dan bij een transitie met vooraf vastgestelde fasering en stadia, vraagt transformatie om kwaliTIJD, om tijd voor opnieuw betekenisgeven, tussen alle vooraf gestelde periodes en stadia door. Ik noem dat tussentijd en tussenruimte. Daar waar de instrumentele logica van de transitie bepalend is moet er meer tijd en ruimte 'tussen' worden gezet. In de antropologie wordt het begrip liminaliteit vaak gebruikt. Met liminaliteit wordt een ‘tussenruimte’ bedoeld, waarin de regels even niet meer gelden en we vrijuit kunnen ervaren, bedenken en beproeven wat de bedoeling en de inhoud van de transformatie is en wat dat voor ons als professional, als team, als organisatie en als samenleving betekent.

    In 2014 begon ik vol goede moed aan de gemeentelijke voorbereidingen van de transformatie in het sociaal domein. De transitie van de wetten zou 1-1-2015 plaats hebben. Gaandeweg kwam ik erachter dat we niet met een transformatie bezig waren maar met het voortzetten van de transitie. In plaats van aandacht voor de transformatie, de 'zachte kant' van de verandering, stortten lokale overheden zich massaal op de ‘harde kant’ van transitie, zoals het inplannen van nieuwe regels en procedures. Want dat is immers het meest controleerbaar en te beheersen. Het resultaat was een samenleving die verrast en bedolven werd onder bureaucratie en procedures, nu niet alleen vanuit de kant van de Rijksoverheid maar ook van de lokale overheid.   

    Hoogste tijd om de aandacht te richten op de weggemoffelde zachte kant, die van de menselijkheid. Ik ben geïnteresseerd in het mens-verhaal. We willen immers allemaal zo graag het verhaal achter het verhaal naar boven krijgen. Daar moeten we dan ook (tussen)tijd in stoppen.
     

    Tussentijd en tussenruimte

    Als antropoloog pleit ik sterk voor het inbouwen van tussentijd, tussenruimte en dus voor liminaliteit. In de antropologie is liminaliteit een alledaags begrip. Het is een noodzakelijke stap voor verandering, het ‘oude’ afschudden en opnieuw beginnen. Volgens de Franse antropoloog Arnold van Gennep is het de fase tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ waarin sprake is van een soort 'vacuüm', een ongekende werkelijkheid die de groep waar je toebehoort niet kent en ook niet erkent.

    De tijd nemen, liminaliteit creëren (inbouwen) kan positief uitwerken omdat je daarmee die broodnodige adempauze en ruimte kunt nemen. Maar het levert ook onzekerheid op en daarmee kan liminaliteit ook negatief geframed worden. Het leven staat op zijn kop, rollen worden omgedraaid. Mensen voelen zich in deze fase ook wat vreemd, ongemakkelijk, marginaal of niet begrepen. Soms voelen zich buitenbeentjes en statusloos. Victor Turner schreef in zijn boek The ritual process, structure and anti-structure (1969) over het sociaal drama van verandering van mensen en groepen (communitas) en gebruikte het woord ‘limen’ of ‘margin’ voor een tussenfase of ook wel 'betwixt' en 'between'. En absoluut noodzakelijk om de verandering te ervaren en daarna ook te (be)leven. Ik vraag mij af of wij na de transitie die noodzakelijke tussenfase wel voldoende hebben beleefd en ervan geleerd?  In de planning van de meeste beleidsstukken is denk ik geen tussenstadium of tussenfase opgenomen.

    Ik denk dat we in de transformatie van het sociaal domein precies die fase, de ‘limen’, of ‘betwixt’ en ‘between’ fase overgeslagen en genegeerd. We zijn eerst gaan doen waar we goed in zijn en wat we al kennen, zonder enige verandering. De RMO schreef in december 2014 in een advies het volgende: “Op 1 januari 2015 treedt de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in werking. Deze wet legt de verantwoordelijkheid bij gemeenten om een omslag naar een zelfredzame samenleving te realiseren. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte om de ondersteuning beter af te stemmen op de (individuele) behoeften van burgers en daarbij ook een beroep te doen op de sociale omgeving van mensen.”

    Als we een beroep willen doen op de sociale omgeving van mensen is de eerste stap het leren kennen van deze omgeving. Dat is schier onmogelijk als gemeenten dat doen op de gebruikelijke afstandelijke en instrumentele wijze en zonder betekenisvol contact, zoals bij de transitie van wetten het geval is. Een manier om dit te realiseren is door betekenisvolle plekken te creëren voor inwoners die dat nodig hebben. Een plek die gelijkwaardig, coöperatief, veilig, niet gekleurd en vrij is. In Hilversum is er zo’n plek.

    Heelo, de tussenplek van Hilversum

    In Hilversum is er een plek om naar toe te gaan als het even niet mee zit. Als je je in de kantlijn van de samenleving bevindt, of zelfs buiten de grenzen daarvan leeft en uitgesloten wordt. Een inloopplek voor mensen die even tussentijd nodig hebben, ruimte om op adem te komen en daarna weer door te kunnen. Heelo is een (werkervaringsbedrijf) bedrijf dat mensen activeert en begeleidt in de ontwikkeling van hun talenten en competenties. Als je een kop koffie wil drinken en een praatje wil maken, als je geen baan hebt, als je in de schulden zit, als je de taal niet spreekt, als je graag mee wil doen maar niet weet hoe. Een prachtige plek, niet te vatten in regels, methodieken en procedures past en daarom zo mooi en menselijk is. Je wordt er niet getoetst of gescreend, je doet gewoon mee. Ik zou wensen dat alle gemeenten zo’n plek als het werkervaringsbedrijf Heelo hadden.

  • Pleidooi voor herwaardering van de bingo en buurtbarbecue

    Dick Jansen, regiodirecteur van DOCK in Haarlem, neemt ons in het laatste deel van zijn drieluik wederom mee in zijn overpeinzingen over de veranderingen in het sociaal domein. Hij pleit voor herwaardering van de bingo en buurtbarbecue.


    De laagst opgeleide burgers hebben doorgaans de laagste inkomens. Alleen al om die reden trekken zij aan het kortste eind als op de zorg wordt bezuinigd. Daar komt bij dat mensen met een lagere opleiding en inkomen relatief veel zorg consumeren Dat heeft verschillende oorzaken. Zwaar en ongezond werk, een ongezondere leefomgeving, maar ook een ongezonde leefstijl: overgewicht, ongezonde voedingspatronen, roken, weinig bewegen. Het zou mooi zijn als we dat zouden kunnen ombuigen, want dat levert niet alleen gezondere mensen op, met een betere kwaliteit van leven, maar ook een besparing op de zorg. Probleem: je kunt mensen wel tot een gezondere leefstijl proberen te verleiden, maar je kunt het niet afdwingen.  Mensen zullen het uiteindelijk zelf moeten doen.

    Stapeling van gezondheidsproblemen

    De groep waar het om gaat lijkt weinig vatbaar voor drang op allerlei manieren en door allerlei partijen (overheid, zorgverzekeraars, zelfs delen van het bedrijfsleven). En sterker nog: ze maken zich er ook niet zo druk om. Met name in beleidscircuits en in de middenklasse wordt vaak verzucht: Hoe kan dat toch? Hoe komt het dat mensen, in het bijzonder lager opgeleiden, hun eigen gezondheid schaden door weinig te bewegen, door veel ongezonde vetten en suikers te consumeren, en ook nog eens te roken. Een vette of zoete hap is misschien op de korte termijn bevredigend, maar overgewicht betekent op langere termijn versleten knieën, suikerziekte en risico’s op hartfalen. Waarom kijken ze alleen naar die korte termijn en zetten ze de knop niet om? En waarom spenderen zij ook nog eens veel geld aan roken met een stapeling van gezondheidsproblemen op de langere termijn? Ik verken hierna deze vraag, maar trek het wel breder: want welke mechanismen spelen hier en wat betekenen die, ook voor andere vraagstukken? 

    Terug naar de leefstijl: Voor je het weet wordt op de persoon gespeeld en besluiten zorgverzekeraars om een ongezonde leefstijl aan te pakken met een hogere premie. Een soort boete op roken of overgewicht. Goed plan? Dat gaat voorbij aan de mogelijkheden van mensen die van generatie op generatie en vaak in dezelfde buurten op de grens van leven en overleven balanceren en bij wie de problemen zich opstapelen. Dus voor we leefstijl ‘individualiseren’ is het goed om te kijken naar leefstijl als functie voor het opbouwen en onderhouden van sociaal, cultureel en economisch kapitaal.

    Gehoord worden

    Mensen hebben andere mensen nodig om mens te zijn: erbij horen en gewaardeerd worden. Dat levert geborgenheid en veiligheid op. Mensen zijn in essentie sociale wezens en in hun eentje overleven ze niet. Die noodzakelijke geborgenheid vind je meestal het best in eigen kring. Maar diezelfde geborgenheid belemmert individuen dikwijls ook om uit die eigen gemeenschap te stappen. Dat leidt tot sociale uitsluiting en dat is wel het laatste wat mensen kunnen gebruiken. Vooral voor de laagste inkomensgroepen geldt dat sterker dan voor anderen, want sociale uitsluiting snijdt hen af van de belangrijkste hulpbronnen die zij hebben. Juist die hulpbronnen – materiële of mentale steun van buren, naasten, vrienden - zijn voor mensen zonder enige materiële buffer een reddingsboei en op de korte termijn belangrijker dan een gezonde leefstijl. Voor hen is sociale uitsluiting een veel grotere bedreiging dan vroegtijdig overlijden na een ongezond leven. Zeker als iedereen in hun omgeving eenzelfde standaard van wat gezond is aanhoudt en er ook geen impulsen zijn of groepsdruk is om ‘gezonder’ te gaan leven.

    Wat het nog ingewikkelder maakt: Langdurige armoede en geldgebrek veroorzaken permanent stress. En hier speelt de evolutie ons parten. Zoete en vette voedingswaren produceren stoffen in ons lijf die in onze hersenen signalen afgeven van 'troost' en 'beloning'. Gezonde voeding doet dat veel minder, waardoor een gezonde leefstijl veel wilskracht en discipline vergt. Verder geldt: slechte vetten en suiker zijn goedkoop. Gezond eten is duurder. En vooral: je plaatst je ermee buiten de groep en wordt op je zelf teruggeworpen. En stress leidt er bovendien toe, dat het überhaupt moeilijk is de ‘juiste’ keuzes te maken en verder vooruit te kijken. Overleven gaat per definitie over het ‘hier en nu’. 

    Social-media-bubble

    En zo is de cirkel rond: Door het wegvallen van de verticale verbanden zoals die van kerk en vakbond, zie hiervoor mijn vorige blog worden juist de leefstijlgebonden verbanden belangrijker. De samenleving ziet er tegenwoordig uit als een dwarsdoorsnede van de gelaagde aardkorst waar elk tijdperk zijn eigen flora en fauna kent zonder onderlinge uitwisseling. Je komt dus als het ware vast te zitten in die ene dunne aardlaag waarin je geboren en getogen bent. Elke laag met zijn eigen leefstijl. Het “opgesloten raken” in die horizontale gelaagdheid van onze post-verzorgingssamenleving zal zichzelf versterken. Elke laag wordt bediend met eigen media: van NPO1 tot SBS6. Van tattooshop tot dutchdesign. En iedereen zit in zijn eigen social-media-bubble, gestuurd door de algoritmes van Facebook en Instagram. Voor de een is er nauwelijks anderhalf uur in de week hulp-in-de-huishouding, voor de ander is er 24/7 zorg in een luxe woonzorg-appartement. Het past daarom niet én het werkt niet om vanuit een aardlaag met rijke voedingsbodem met opgeheven vinger anderen in een laag met schrale grond de maat te nemen. En dat geldt niet alleen voor gezondheid, maar ook voor smaak, taal en maatschappelijk meedoen. Daarmee kom ik terug op de betekenis van het doorgronden van de mechanismen achter een ongezonde leefstijl. Laten we eens kijken naar de participatiesamenleving, goed voor alle burgers.  

    Burgers met een bijna lege portemonnee voelen haarfijn aan dat de participatiesamenleving een speeltje van de hogere middenklasse is. Omdat ze al vaak veel problemen tegelijk hebben is het voor hen extra belastend dat zij als mantelzorger een tandje bij moeten zetten voor hun hulpbehoevende ouder of partner, die gekort is op de huishoudelijke hulp en geen scootmobiel krijgt maar een rollator. Zij kunnen geen hulplijn meer inzetten door extra hulp in te huren op eigen kosten, of dan zelf een scootmobiel te kopen of de taxi te nemen. Ook bladdert het sociale netwerk van de hulpbehoevende af als de actieradius zich beperkt tot de eigen buurt waar de onderlinge solidariteit ook alleen maar gericht kan zijn op het dagelijks overleven. Laat staan dat de mantelbezorgers, de vrijwilligers, de buren, de onbezoldigde werkpaarden van de participatiesamenleving, nog energie over hebben om een wijkzorg- of energiecoöperatie op poten te zetten of de exploitatie van het buurtcentrum over te nemen en ook daar nog eens de wc’s moeten gaan schoonmaken.

    Is deze cirkel te doorbreken? Ik zie mogelijkheden, mits we afstappen van ons witte-middenklasse-chauvinisme. Aansluiten bij de leefstijl van de laagstbetaalden in plaats van er neerbuigend over te doen. Geen innovatiesubsidie naar hippe start ups voor ZZP’ers met flexplekken in café’s met steigerhoutenmeubelen en krijtletters op de ramen voor latte macchiato. Die redden zichzelf wel. Voor de achterblijvers kun je veel beter de bezuinigingen op de klassieke wijkcentra tenietdoen om mensen mee te kunnen laten doen zonder de ballast van de hele exploitatie.

    Ruimte aan zelforganisatie

    Mijn ervaring is dat goed onderhouden en professioneel geëxploiteerde wijkcentra, waar ook sociaal wijkteams en buurtzorgteams gehuisvest zijn, van grote betekenis zijn voor tal van buurtinitiatieven. Mensen kunnen er - zonder de ballast van eindverantwoordelijkheid - mee doen en naar draagkracht een bijdrage leveren. Als vrijwilliger of gewoon als deelnemer. Aan bingo of bridge, aan eet- en wandelgroep. Ik pleit voor herwaardering van de cultuur van bingo en de buurtbarbecue. Dat bestuurders dat zelf oubollig vinden is hun probleem. Bingo is een prachtig middel om mensen samen te brengen en heel terloops, zonder elkaar aan te hoeven kijken, tijdens het invullen van het bingo-formuliertje ook lastige dingen te kunnen bespreken. Het is net als de buurtbarbecue een beproefd antwoord op de toenemende individualisering door facebook en instagram. Je versterkt er netwerken in de buurten mee, je werkt aan versterking van het zelfbeeld van de bewoners en laat de trekkers uit de wijk successen ervaren. In plaats van leefstijl als een belemmering te zien, gebruik je het als uitgangspunt. Geef ruimte aan zelforganisatie. En als dat een buurtbarbecue is: prima! Met daarbij zeker aandacht voor gezondheid, maar van onderop aangevlogen. En als er een probleem is met schulden of zorg: dan is het sociaal wijkteam en de wijkzorg onder handbereik.

    Daarbij is wel de opbouwwerker die ‘goed werk’ doet noodzakelijk om mensen rugwind te geven, ze te helpen over de drempel van schaamte te stappen, op het goede moment een schouderklopje te geven en mensen aan elkaar te verbinden om samen een volgende stap te kunnen maken. En ja, daarbij is óók de bingo een prachtig middel.   


    Foto: Marlon E.

  • BLOG: Wormen en Naarden

    Dick Jansen, regiodirecteur van DOCK in Haarlem, neemt ons in een drieluik mee in zijn overpeinzingen over de veranderingen in het sociaal domein. In dit tweede blog verwondert hij zich over het gemak waarmee juist van mensen die het meest te verliezen hebben, zoveel ‘eigen kracht’ wordt verwacht.


    In de jaren tachtig staken Koot en Bie met hun item over Wormen en Naarden de draak met de toenmalige pogingen om normen en waarden op de politieke agenda te zetten Koot en Bie staken toch vooral de draak voor hun eigen parochie.

    En eigenlijk had de progressieve en liberale ‘bubble’ toen al niet goed in de gaten dat met het wegvallen van de verticale verbanden in de volkspartij, kerk, vakbond en omroep - waar hoger en lager opgeleid elkaar van oudsher op natuurlijke wijze troffen - er in het publieke domein geen gedeeld speelveld meer was. Niet voor hoger en lager opgeleid. Niet voor de pastoor en de jongerenwerker. Niet voor de eigenaar van de mijnen en de mijnwerker in Zuid-Limburg. Het afbreken van die benauwende verzuilde samenleving bepaalde immers de agenda. En ondanks dat Provo solidariseerde met het 'klootjesvolk' ging de binding tussen hoog en laag, hoe paternalistisch dan ook, jammerlijk teloor. De hoger opgeleiden, mogelijk nog enigszins progressief maar zeker liberaal, projecteerde haar eigen middenklasse-moraal op de  samenleving in de veronderstelling dat daarover een brede consensus bestaat. Noem het naïef. We kunnen inmiddels constateren dat die op persoonlijke ruimte en vrijheid geënte zelfredzaamheidsmoraal door grote delen van de samenleving als zeer bevoogdend wordt ervaren. Eigen ruimte prima, maar dan hoef ik toch niet de billen van mijn oude moeder te gaan wassen?

    Door het ijs zakken

    Wat betekent dit alles voor de mogelijkheden voor een kanteling van verzorgings- naar de participatiesamenleving? Een kanteling die vanuit de liberale hoog opgeleide ‘burgerij’ als wenselijk wordt gezien, vanuit een veronderstelde behoefte aan individuele ruimte. En tegelijk verkocht wordt als onontkoombaar om de zorgkosten – door de vergrijzing - niet uit de hand te laten lopen. Terwijl de lager opgeleiden, de mensen op de onderste sporten van de maatschappelijke ladder, geen enkele urgentie daartoe voelen. De bezuinigingen treffen hen het hardst, dat ook. Maar ze zitten ook niet te wachten op een samenleving waar onderlinge solidariteit alleen persoonlijk vorm krijgt. Juist de solidariteit als samenleving, dat is waar ze het meest aan hadden en hebben. In tegenstelling tot de middenklasse die over veel meer buffers en hulpbronnen beschikt om tegenslag op te vangen en desnoods zelf zorg kan inkopen, zakt de laagste inkomensgroep bij de minste tegenslag meteen door het ijs. Dit is precies waar de verzorgingsstaat ooit voor is uitgevonden.

    De steun voor die participatiesamenleving en voor die achterliggende burgerlijke middenklasse-logica is te vinden in de kringen van partijen met een kiezerspubliek met een middenklasse leefstijl: kosmopolitisch, stedelijk, hoogopgeleid, welvarend en overtuigd van succes als eigen verdienste. Zij dienen zich er echter van bewust te zijn dat die logica vanuit het argument, dat zelfstandig denkende en opererende burgers zelfredzamer en daarmee gelukkiger zijn, niet spoort met de alledaagse werkelijkheid van mensen die in de overlevingsstand staan. En overigens ook niet bij een groot deel van de burgers die ‘domweg gelukkig zijn in de Dapperstraat’.

    Vooropgesteld: ik ben géén tegenstander van het bevorderen van meer eigen regie van burgers. Sterker nog: ik zie dagelijks dat mensen die meer grip krijgen op hun leven, zelfverzekerder worden en er soms in slagen om te ontkomen aan de wurggreep van schulden. Maar vaak is het resultaat uiterst fragiel. Elke ogenschijnlijk kleine tegenslag kan een nekslag betekenen: “Ga onmiddellijk terug naar AF, u krijgt geen 200 euro”. In het welzijnswerk doen wij ons uiterste best om het vaak lage zelfbeeld van mensen te versterken door hen succeservaringen te laten beleven, als vrijwilliger, als deelnemer of organisator van een wijkactiviteit.

    Verstrikt raken in systemen

    Maar naast die successen en succesjes zien wij hoe mensen verstrikt raken in systemen. Een alleenstaande bijstandsmoeder met vier kinderen die erin slaagde om elke maand nog een paar tientjes te sparen, kreeg geen toeslag omdat ze eerst haar spaargeld moest opmaken. Met als gevolg dat zij voortaan niét gaat sparen voor slechte tijden. En bij de eerste de beste tegenslag in de schulden zit.

    Het frame van de ‘participatiesamenleving’ dat mensen aanzet om hun eigen broek op te houden, ook als die tot op de draad versleten is, is dus een frame waar deze groep niets mee kan. Want mensen willen wel anders, maar het lukt ze niet. Daardoor komt het falen dubbel zo hard aan: je faalt omdat je zonder schuld bij het leger van burgers met schulden hoort, én je faalt in de ogen van de samenleving omdat je je maatschappelijke burgerplicht hebt verzaakt.

    Kortom: willen we die participatiesamenleving een stevig fundament geven, dan kan dat alleen met een open blik voor de groep die het meest te verliezen heeft en niet door de burgermoraal van eigen kracht aan de hele samenleving als dwingend keurslijf op te leggen. Eigen Kracht ziet er in een sjofele wijk anders uit dan in een sjieke wijk. Doe niet alsof dat niet zo is. Oog houden voor het verschil zou al heel wat schelen. Wormen in Naarden zijn nu eenmaal wat anders dan waarden op Kanaleneiland.

    Zie ook het eerste blog van Dick Jansen.

     

  • BLOG: Taal en werkelijkheid

    Dick Jansen, regiodirecteur, DOCK in Haarlem

     


    Taal was en is een doorslaggevende factor voor het succes van de homo sapiens. Maar dat succes kan tot verwarring leiden als het gaat om de relatie tussen taal en werkelijkheid. We vergeten soms dat taal niet samenvalt met de werkelijkheid, maar dat taal een poging is om de werkelijkheid te ordenen en over die werkelijkheid te kunnen communiceren. Taal is onmisbaar, bijvoorbeeld om samen een gevaarlijke beer te kunnen vangen. Daar zit het succes van taal. Echter, je kunt de werkelijkheid niet veránderen door er een stelling over te poneren als: “De beer is onze vriend”. Daar wordt die beer niet vriendelijker van. Zo werkt taal niet.

    In hedendaagse termen: we kunnen een achterstandswijk wel een Krachtwijk noemen, maar daarmee verandert die werkelijkheid niet. Het is een zuiver voorbeeld van framing: taal zo inzetten dat er bij toverslag een ander beeld van de werkelijkheid ontstaat. Achterstanden verdwijnen als sneeuw voor de zon. Bewoners van krachtwijken slaan immers de hand aan de ploeg. Posters van sociaal-realistische Oostblokkunst dringen zich aan mij op.

    Framing komt uit de marketingwereld. Een beeld neerzetten, of beter gezegd: een kader om een onderwerp heen plaatsen waardoor je het een specifieke context meegeeft. Daarmee kun je de  opinievorming over dat onderwerp sturen. Als je tegenwoordig limonade wilt verkopen, noem je het vruchtensap en suggereer je met de vormgeving van de verpakking dat het barst van de gezondheid. Veel mensen tuinen daar in. Maar het gaat veel verder dan limonade.

    Schuldige taal

    Neem de participatiesamenleving. Burgers zouden meer voor zichzelf en voor elkaar gaan zorgen en minder een beroep doen op de zorg zoals die tot nu toe geregeld was. Daarmee zouden zij niet alleen gelukkiger worden, maar houden we allen ook nog eens geld over. En is de overheid ontslagen van zorg voor kwetsbaren. Maar wat blijkt: door enkel en alleen de term te gebruiken, gaan burgers niet actiever deelnemen aan de samenleving. Movisie herhaalt dit nog maar eens en haalde er zelfs het acht-uur-journaal mee. Tjonge. Er werd gepleit tot versimpeling van regels om die participatiesamenleving toch dichterbij te brengen. Men volhardt in het framen.

    Onschuldig is dit framen allerminst. Doel is om door middel van taal burgers te verleiden om het meest passende gedrag te gaan vertonen. En waar de achterliggende waarden aansluiten bij de leefstijl van de burgers, kan dat best goed uitpakken. Dan verandert taal niet de werkelijkheid, maar haalt taal een veranderende werkelijkheid naar voren. Dat kan die verandering versterken. Burgers die er naar streven om gezonder te leven of samen een energie- of zorgcoöperatie te vormen kunnen zich gesterkt voelen door een dergelijke frame.
    Dat die waarden van die framende overheid en die bewuste burger met elkaar overeen stemmen is niét toevallig: het zijn de waarden van de hoger opgeleide ‘kaste’ zelf. Leden ervan zijn zowel doel van het beleid als afzender. Als kinderen van hun tijd formuleren zij zelf het beleid als volksvertegenwoordiger, beleidsmedewerker, bestuurder, adviseur. Zij hebben behoefte aan meer ruimte voor eigen initiatief. Zíj willen zorg onderling organiseren. En zij hebben er de middelen voor om erin te investeren. Kortom, in zekere zin eigenbelang van de burger die niet meer opgesloten wil worden in de kaders van een verzorgingsstaat.

    Stupide regels

    Maar er zijn ook burgers - laagopgeleid, zonder enige financiële buffer en sterk afhankelijk van de traditionele zorgarrangementen - die haarfijn aanvoelen dat zij een kant op worden gemanoeuvreerd die hen niet past. Voor wie die nieuwe kaders juist benauwend en bedreigend zijn: zelf je broek op houden, voor je buren gaan zorgen, gezond maar duur voedsel te kopen in plaats van de goedkope bekende hap is niet eenvoudig als je aan het eind van je geld een stuk maand overhoudt. De overheid die deze boodschap uitzendt wantrouwen zij, want dat is diezelfde overheid die hen de voet dwars zet bij een zwart schoonmaakbaantje om het hoofd boven water te houden. Een overheid die hen het bos instuurt van de schuldsanering met zijn stupide regels waardoor ze van de regen in de drup belanden, die uren afknabbelt van hun huishoudelijke zorg, die eerder toegekende toeslagen naderhand terugvordert terwijl die al lang uitgegeven zijn. Deze kwetsbare burgers zijn niet in staat om zich aan de haren - ook niet samen met anderen - het moeras uit te trekken.

    Minder hoogdravend

    Daarom pleit ik voor een ander soort participatiesamenleving. Waar alle burgers vanuit hún perspectief, mogelijkheden en middelen mee kunnen doen. Dat zal er anders uitzien dan die van stadsdorpen en energiecoöperaties. Meer zelf doen, zeker, maar vooral meedoen. Met de juiste ondersteuning door ontmoetingsactiviteiten, kook- en eetgroepen, repaircafé’s en meer bewegen voor ouderen. Met een ondersteunende beroepskracht die mensen met elkaar in contact brengt, die gepensioneerden regelt als chauffeur voor de buurtbus en voor huiswerkbegeleiding, stadstuinen organiseert voor het buurtrestaurant. Waar de wijkverpleging en thuiszorg om de hoek zitten, die samen met een goed netwerk van sleutelfiguren de vinger aan de pols houden van de buurt. Voortbouwen op de verzorgingssamenleving in plaats van afbouwen. Minder hoogdravend wellicht, meer realistisch. Zodat burgers die amper rond kunnen komen er geen gevoel van falen aan overhouden als zij niet aan dat beeld van die geïdealiseerde participatiesamenleving kunnen voldoen.