VERSLAG Actualiteitencollege: “Het nieuwe sociaal werk: collectief en politiserend.”

99 keer bekeken

donderdag 12 december, 15.00 – 17.00 uur bij Inholland, Haarlem Op 12 december heeft het Kennisplatform Sociaal Domein Noord Holland in samenwerking met het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken dit actualiteitencollege georganiseerd. Dagvoorzitter was Marcel Ham, hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.

Vanaf de decentralisaties van vijf jaar geleden is uitgekeken naar generalistische professionals die sociale problemen integraal zouden aanpakken. Hierdoor zouden burgers zich met elkaar verbonden voelen en elkaar kunnen helpen. Sociaal werkers zouden buurten versterken door mensen met elkaar te verbinden en hierdoor  ‘collectiviserend’ te werken aan samenlevingsopbouw. Ondanks de bloei van sociale wijkteams is collectief sociaal werk op veel plekken in de verdringing gekomen. De individuele aanpak regeert. In dit actualiteitencollege onderzoeken we de kracht van collectief en politiserend sociaal werk. Hoe breng je de opbrengsten van collectiviserend werk voor het voetlicht bij beleidsmakers?

Allereerst heeft Dick Jansen, tot voor kort directeur van een Haarlemse welzijnsorganisatie DOCK, zijn analyse gedeeld. Een inleiding die verplichte kost moet zijn voor iedere student sociaal werk. Zie hier voor zijn powerpoint-presentatie. Dick begon zijn bijdrage met de vaststelling dat het druk is in het sociaal domein. Er is sprake van marktwerking: burgerinitiatieven, decentralisaties, versplintering in de politiek, crisis op de woningmarkt, een kloof tussen hoog -en laagopgeleid. Dit zorgt ervoor dat er zich op wijkniveau veel verschillende problemen voordoen: sociale uitsluiting, tekorten van de gemeente, sociaal isolement. Voor mensen betekent dit dat ze meer zelf moeten doen en dat ze er in hun eentje voor staan. De opdracht van welzijnswerk is dus om hier iets aan te doen. Ten eerste door bestaande netwerken van mensen te versterken. Juist daarom zijn bingogroepen, klaverjasgroepen, wandelgroepen en eetgroepen van belang. Dit zijn laagdrempelige initiatieven, waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en samen niet te zware gesprekken, maar juist terloopse gesprekken voeren. Dat is heel belangrijk voor de wijk. Ten tweede dient welzijnswerk nieuwe initiatieven op te sporen en te ondersteunen. Om, ten derde, de verbinding te leggen met een sociaal wijkteam, de woningcorporaties en de zorg. Ten slotte dient het welzijnswerk bruggen te slaan tussen deze verschillende netwerken. Hierdoor ontstaat een patchwork van prakijken.

Wat vraagt het van organisaties en gemeenten om hier op een goede manier mee om te gaan? Volgens Dick Jansen vraagt dit in eerste instantie een goede probleemanalyse. Waarin gemeente data aanlevert, partners uit het werkveld dit aanvullen en wijkgesprekken worden gevoerd. Ten tweede het inventariseren van de betrokken partijen, van de dragende krachten, waarbij het gaat om de draagwijdte en de effectiviteit. Deze worden inzichtelijk gemaakt door een social impact analyse. Ten derde vindt er op basis van deze analyse een selectie plaats van relevante partijen. Ten vierde wordt er een concept van een subsidie-voorstel opgesteld. Als laatste volgt een plan dat bijdraagt aan de samenwerking tussen mensen in de wijk. Hierdoor gaan mensen zich thuis voelen in de wijk. De samenwerking mislukt als deelnemers met een wedstrijd bezig zijn. Dick sluit af met de woorden dat de kracht van het welzijnswerk juist collectief en preventief werken is. En tegelijkertijd krijgt juist voor dit gedeelte van het welzijnswerk het welzijnswerk weinig politieke erkenning.

Na een paar korte vragen uit de zaal neemt Richard de Brabander het woord, hij is docent filosofie bij de opleiding Social Work bij Inholland en doet onderzoek naar politisering van sociaal werk. Richard neemt de zaal eerst mee naar de oorzaken en beginpunten van postpolitiek en depolitisering. Na de val van de Berlijnse Muur ontstond er een hegemonie van de liberale-democratie en neoliberalisme. Waarbij de “linkse” partijen hun ideologische veren afschudden en de politiek van “de derde weg” wordt gevoerd.

Depolitisering is dus onder andere het gevolg van marktwerking waarbij sociale problemen geïndividualiseerd worden. Zo spreken sociaal werkers en beleidsmakers tegenwoordig over armoede in plaats van sociale ongelijkheid. Daarnaast is politiek management geworden. De hele managementtaal maakt duidelijk wat redelijk en onredelijk taalgebruik is. En welke manier van spreken gewenst is. Bovendien zorgt depolitisering voor een ordening van het dagelijks leven en de mobilisering van burger door middel van reflectietools, zelfredzaamheidsmatrixen en participatieladders.

Richard vindt een antwoord op deze ontwikkelingen bij Chantal Mouffe. Haar The return of the Political biedt wezenlijke aanknopingspunten. Volgens Chantal Mouffe erkent het politieke de conflictueuze aard van de sociale verhoudingen. Waarbij iedere orde een effect is van de strijd om de hegemonie en dit leidt tot uitsluiting. En juist de postpolitiek is gericht op consensus met daarbij een bepaalde manier van spreken. Hierdoor worden bestaande hegemonieën in stand gehouden en is er geen ruimte voor werkelijke politieke vragen, keuzes, tegenstellingen en conflicten. Bovendien wordt hierdoor de democratie ondermijnd.

Richard de Brabander geeft de volgende definitie van politisering: Het ter discussie stellen van de heersende machtsverhoudingen waar omheen een bestaande orde is gestructureerd. En een strijd tussen tegengestelde hegemoniale praktijken die niet op rationele manier met elkaar kunnen worden verzoend en invulling geven aan democratische principes van vrijheid en gelijkheid.

Wat betekent deze politisering van sociaal werk in relatie tot de burger? Dan gaat het volgens Richard de Brabander om de dilemma’s, kritiek, ‘niet meewerken’ en expressies van verontwaardiging te (h)erkennen als vormen van verzet. Verder betekent politisering in relatie tot de burger het innemen van een positie: om de bestaande orde(nings)principes in het sociaal werk te bevragen vanuit ervaren onrecht en maatschappelijke ongelijkheid. Als laatste vraagt dit van sociaal werkers in relatie tot de burger dat zij problemen en ervaringen van onrecht publieke en politieke kwesties maken.

Van sociaal werkers vraagt politisering dat zij zich bezig houden met emanciperen en tegenspraak organiseren. Daarnaast vraagt politisering dat zij de eenzijdige gerichtheid op methodiek en technisch-instrumentele logica doorbreken en de maatschappelijke opgave van het Sociaal Werk centraal stellen. Bovendien is de identiteit van de sociaal werker ook van belang. Is sociaal werk een beroep of functie? Als laatste betekent dit voor sociaal werkers dat ze een eigen taal (her)vinden. Richard de Brabander sluit optimistisch af: “Er is een alternatief: je moet niet kijken naar wat niet kan, maar naar wat wel kan en het onmogelijk eisen.”

In het afsluitende paneldebat is onder leiding van dagvoorzitter Marcel Ham met de zaal verkend hoe sociaal werkers hiermee omgaan. Hoe ziet waardevol collectief sociaal werk er nu in de praktijk uit? Hoe kan de politiek dat waarderen? In het panel zitten: Ingrid Swakman (opbouwwerker en lid Sociaal Wijkteam in Haarlem); Lilian Linders (lector Empowerment en Professionalisering van Inholland); Marc Räkers (politiserend sociaal werker); Erwin van Hardeveld (directeur IJmond Werkt!).

Erwin van Hardeveld maakt duidelijk waarom een groepsgerichte aanpak zo goed aansluit bij de behoefte van mensen en waarom juist deze manier van werken een bijdrage levert aan empowerment. Mensen hebben mensen nodig, hoe meer aandacht mensen krijgen, des te beter het gaat met mensen. Professionals kunnen dat niet alleen geven. Sterker nog, andere mensen, zoals mensen in een vergelijkbare situatie, kunnen die aandacht ook geven.

Volgens Ingrid Swakman is collectiveren ook een  stem geven aan mensen die niet gehoord worden. Dat ziet zij als een taak van de opbouwwerkers. Hierbij is het van belang dat de opbouwwerker kan aansluiten en duidelijk kan maken wat er op het spel staat. Ze stelt zichzelf hierbij de vragen: Hoe kan ik deze situatie verbeteren voor meerdere mensen? En meerdere mensen een stem geven? En aan de andere kant ook aansluiten bij de beleidsmakers? Ze werkt aan deze vragen het liefst door beleidsmakers te verbinden met mensen in de wijk: “Als opbouwwerker moet je dus in gesprek gaan met mensen om erachter te komen wat speelt. Hierdoor weten ook beleidsmakers wat er speelt in de wijk.”

Lilian Linders geeft wat verdere duiding door aan te geven dat collectief werken een groepsaanpak is. Collectief werken is al het werk dat niet op een individueel niveau zit. Het wordt politiserend als er gewerkt wordt aan structuren en als de sociaal werker gaat agenderen. Waarbij het van belang is dat sociaal werker het niet gehoorde geluid ophalen.

Mark Räkers betoogt dat politiserend sociaal werk gaat over het werken aan empowerment. Hierin hebben niet alleen sociaal werkers en organisaties een verantwoordelijkheid, maar ook andere instituten dienen op te komen voor de belangen van het sociaal werk, zoals NIZW, Movisie, BPSW, lectoraten en hogescholen. Hij ziet de mensenrechtenbenadering als een waardevol perspectief om te werken aan politiserend sociaal werk.  

Vervolgens is samen met de zaal verkend hoe sociaal werkers zichtbaar zijn voor jongeren. Zodat, jongeren die jeugdhulp hebben gehad, hun stem verheffen en op die manier ook een bijdrage leveren aan betere jeugdhulp. Daarna gaat het over de relatie en samenwerking met de opdrachtgever, omdat er sprake is van een ongelijke positie tussen gemeenten en organisaties. Vooral als de aanbestedingen dichterbij komen. Op deze momenten wordt duidelijk dat beleidsmakers en sociaal werkers een andere taal lijken te spreken. De sociaal werkers zijn hierbij geneigd zich uit te drukken in de taal van de beleidsmakers. Waardoor de problemen van de mensen niet op een juiste manier worden geagendeerd. Bovendien kan een wethouder het idee hebben dat het welzijnsvertoog niet goed aansluit bij deze tijd en de behoeften van mensen. En met de nadruk op burgerinitiatieven wordt de kracht niet duidelijk van de infrastructuur die nodig is om mensen in kwetsbare buurten met elkaar te verbinden.   

Na afloop van de het actualiteitencollege en de levendige discussie kregen de aanwezigen: “De wijk als patchwork, een antwoord op de versplintering van de samenleving”. Dit boek is geschreven door Dick Jansen en uitgebracht door het Kennisplatform Sociaal Domein Noord-Holland. Klik hier voor een digitale versie van dit boekje.

Cookie settings